Terug

Hoge Raad zet de puntjes op de ‘i’-grond. Minder str’i’kte toets?

Hoge Raad zet de puntjes op de ‘i’-grond. Minder str’i’kte toets?

Sinds 1 januari 2020 bevat de wet de mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst te beëindigen op de zogenoemde ‘i’-grond, beter bekend als de combinatiegrond. Deze grond houdt kort gezegd in dat er sprake moet zijn van een combinatie van twee of meer ontslaggronden.

Het was voor werkgevers tamelijk taai om met een beroep op de ‘i’-grond een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te krijgen. De rechterlijke toets was doorgaans str’i’kt. De combinatiegrond was immers niet bedoeld als reparatiegrond en een ontslaggrond gecombineerd met een andere grond diende “bijna voldragen” te zijn.

Een geslaagd beroep op de ‘i’-grond was derhalve lastig. Zo werd ook in eerdere literatuur bevestigd: “Voor een succesvol beroep op de cumulatiegrond dient de werkgever precies aan te geven en te onderbouwen welke omstandigheden uit twee of meer van de gronden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ertoe hebben geleid dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, aldus de wetgever. Een enkele verwijzing naar de omstandigheden bij de vorige gronden zal daarom onvoldoende zijn. (Y. Smit, De cumulatiegrond: een analyse, Arbeidsrecht 2024/30).

In een recente zaak verzocht werkgever beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van disfunctioneren en grond van een verstoorde arbeidsrelatie. Bij de rechter volgde een afwijzing van het verzoek. Werkgever stelde hoger beroep in waarbij tevens een beroep werd gedaan op de ‘i’-grond. Dat beroep slaagde bij het Gerechtshof. Werknemer stelde vervolgens beroep in bij de Hoge Raad (cassatie) en beklaagde zich over het oordeel van het Gerechtshof.

Deze klachten konden niet leiden tot ongedaanmaking van het oordeel van het Gerechtshof, aldus de Hoge Raad. Daarbij concludeerde Advocaat-Generaal Drijber dat de rechter bij zijn beoordeling vrijheid toekomt. En voorts dat de parlementaire geschiedenis de opvatting dat er sprake moet zijn van een ‘bijna voldragen grond’ en een ‘verzwaarde stelplicht’ niet steunt.

Daardoor lijkt de toets minder str’i’kt te zijn geworden. Terecht in mijn optiek.