LW Artikelen

Terug

Waarde Modelovereenkomst belastingdienst “geen werkgeversgezag” blijkt beperkt

datum: 15 februari 2021

Amsterdamse Hof kent bij beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of niet slechts geringe waarde toe aan de omstandigheid dat gebruik is gemaakt van Algemene Modelovereenkomst van de Belastingdienst ‘geen werkgeversgezag’.
 

Toelichting

In zijn recente uitspraak van 16 februari 2021 oordeelde het Amsterdamse Gerechtshof in lijn met de recente uitspraak van de Hoge Raad dat voor de kwalificatie van een overeenkomst (arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) niet één aspect doorslaggevend is, maar dat alle omstandigheden van het geval bij elkaar moeten worden genomen en er op basis daarvan een holistische afweging moet worden gemaakt. Kort gezegd betekent dat niet een omstandigheid doorslaggevend is maar dat de rechter alle relevante omstandigheden op de weegschaal moet leggen. Als de weegschaal dan naar een kant doorslaat is daarmee het antwoord gegeven.

Omstandigheden die in dat kader van belang kunnen zijn, zijn onder meer de maatschappelijke positie van partijen, op wiens initiatief zijn bepaalde contractsbepalingen overeengekomen, de opstelling van de werkende tegenover de Belastingdienst in het kader van de omzetbelasting (‘hobbymatig’ of ondernemer), is sprake van een bijbaantje of is de werkende een (fulltime) ondernemer en – last but not least – of er al dan niet sprake is van een gezagsrelatie (waarbij het Hof overweegt dat ook een door de werkgever/opdrachtgever ontworpen algoritme, dat invloed uitoefent op de wijze waarop de werkzaamheden worden verricht en het door middel van bonussen beïnvloeden van de werkwijze kan duiden op de aanwezigheid van een gezagsrelatie). 

Vervolgens oordeelde het Hof  dat de bezorgers alleen vrijheid hadden om hun eigen route te kiezen van restaurant naar de klant. Alle overige omstandigheden, waaronder de wijze van loonbetaling (wordt dit geheel zelfstandig door de werkgever/opdrachtgever geregeld of moet de uitvoerende facturen indienen), het (met name door het algoritme) uitgeoefende gezag, het meer dan incidenteel verrichten van werkzaamheden gedurende een zekere tijd, het voor rekening van de werkgever/opdrachtgever sluiten van een ongevallenverzekering die (ook) voorziet in doorbetaling tijdens ziekte ten gevolge van een ongeval), wezen meer op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst dan op de afwezigheid daarvan. Om die reden  oordeelde het Hof dat op basis van een holistische afweging (de weegschaal) van alle omstandigheden tezamen sprake was van een arbeidsovereenkomst.

De omstandigheid dat de gehanteerde opdrachtovereenkomst was gebaseerd op de Algemene Modelovereenkomst van de Belastingdienst ‘geen werkgeversgezag’ achtte het Hof niet van (doorslaggevend) belang omdat het model een vooraf opgestelde overeenkomst betreft, zonder dat daarbij rekening is (en kan worden) gehouden met de specifieke rechten en verplichtingen die voor de civiele kwalificatie wel of geen arbeidsovereenkomst van belang zijn.

 

Conclusie

Gebruik van een door de Belastingdienst goedgekeurde Modelovereenkomst is slechts van zeer beperkte waarde bij de beoordeling van de vraag of civielrechtelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst of niet en biedt dus in ieder geval geen enkele zekerheid.  Hof kent bij beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of niet slechts geringe waarde toe aan de omstandigheid dat gebruik is gemaakt van Algemene Modelovereenkomst van de Belastingdienst ‘geen werkgeversgezag’.

 

Auteur: Bas Westerhout

Bron:  Gerechtshof Amsterdam, 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:392

Waarde Modelovereenkomst belastingdienst “geen werkgeversgezag” blijkt beperkt